AgroActualiteiten

11 februari 2025

Nieuwe regels afroming productierechten



Wilt u productierechten overdragen? Dan kunt u te maken krijgen met afroming. Vanaf 2025 geldt dit, naast fosfaatrechten, ook voor varkens- en pluimveerechten. Afroming kan plaatsvinden bij de overdracht van losse rechten, maar ook bij een bedrijfsoverdracht.


Afromingspercentages productierechten

Vanaf 2025 gelden de volgende afromingspercentages:

·        Varkensrechten: 22%.

·        Pluimveerechten: 13%.

·        Fosfaatrechten: 30% (was 10%).


Niet altijd afroming, o.a. ’binnen familieverband’

Bij een overdracht van productierechten binnen familieverband vindt geen afroming plaats. Ook zijn er diverse uitzonderingen bij het leasen van rechten.


Afroming bij overdracht ‘losse’ overdrachten

Bij een overdracht van productierechten naar een ander bedrijf vindt, in de basis, afroming plaats. Echter in diverse situatie is er geen sprake van afroming.


Geen afroming binnen familieverband

Er is geen sprake van afroming bij een overdracht:

·        Naar bloed- of aanverwanten t/m de derde graad.

·        Naar een echtgenoot of geregistreerd partner.


Van een dergelijke relatie moet sprake zijn tussen tenminste één persoon in het oorspronkelijke bedrijf en tenminste één persoon in het bedrijf dat de rechten overneemt. Let op: bij een overdracht van of naar een BV vindt altijd afroming plaats ook al is er sprake van bloed- en aanverwantschap of echtgenoot/geregistreerd partner.


Geen afroming bij erfopvolging

Is er in uw situatie sprake van erfopvolging? Ook dan worden de rechten niet afgeroomd.


Heen- en teruglease binnen kalenderjaar

Bij een heen- en teruglease binnen hetzelfde kalenderjaar (kortdurende lease) wordt de teruglease niet afgeroomd. Deze systematiek gold al bij de overdracht van fosfaatrechten en geldt nu ook voor varkens- en pluimveerechten. Voorwaarde is dat geleasede rechten in hetzelfde jaar weer teruggaan naar de verleaser.


Jaarlijks heen- en teruglease dierrechten

Vindt de kortdurende lease meerdere keren/jaren plaats tussen dezelfde bedrijven? Dan wordt, onder voorwaarden, alleen de allereerste heenlease afgeroomd. Bij de overdrachten in de volgende jaren wordt niet afgeroomd. Dit geldt tot maximaal het aantal rechten dat overblijft na afroming van de eerste heenlease.

Deze systematiek geldt t/m 2029 en alleen bij heen- en teruglease van varkens- en pluimveerechten.


Voorbeeld varkensrechten

Bij eerste heenlease in 2025 worden 1.000 varkensrechten overgedragen. Na afroming (22%) gaan 780 rechten terug naar verleaser.

In 2026 worden tussen dezelfde partijen weer 1.000 varkensrechten verleasd. Alleen de eerste 780 rechten worden niet afgeroomd. De overige 220 worden afgeroomd met 22% (48 rechten). Aan het einde van het jaar gaan 952 (780 + 172) rechten terug naar de verleaser.


Afromingsvrije lease voor fosfaatrechten

De afromingsvrije lease van maximaal 100 kg blijft alleen voor fosfaatrechten gelden. Zowel bij de heen- als de teruglease wordt niet gekort.


Een afroming van rechten geldt nu ook bij de overdracht van varkens- en/of pluimveerechten. Ga bij een overdracht na of er sprake is van een afroming of van een uitzondering.


Stikstofnormen NV-gebieden fors verlaagd



In NV-gebieden zijn de stikstofnormen voor gewassen, vanaf dit jaar, 20% lager dan de standaard stikstofnormen. Dit betekent dat u op bedrijfsniveau moet rekenen met een fors lagere stikstoftotaalnorm. Hierdoor heeft u minder ruimte voor kunstmest.


Nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden)

Vanaf 2023 zijn, door heel Nederland, diverse gebieden aangewezen als ‘NV-gebied’. In ‘Mijn percelen’ van RVO kunt u nagaan of (een deel van) uw percelen in een NV-gebied liggen.


Korting stikstofnorm

Voor percelen in NV-gebieden gold in 2024 een korting van 5% op de stikstofnorm voor gewassen. Vanaf 2025 zijn deze stikstofnormen verder verlaagd naar 20%.


Ook in bepaalde grondwaterbeschermingsgebieden

In grondwaterbeschermingsgebieden op zand- en lössgrond in de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant, Overijssel en Utrecht was de korting al 10% in 2024. Dit zijn ook NV-gebieden. Ook in deze gebieden geldt nu een korting van 20% op de stikstofnorm.


Tabel op site RVO

De nieuwe stikstofnormen per gewas voor NV-gebieden kunt u vinden op de site van RVO (zie Tabel 2G ‘Stikstof landbouwgrond in NV-gebied’: https://www.rvo.nl/onderwerpen/mest/tabellen).


Heeft u percelen in een NV-gebied? Houd dan rekening met de fors lagere stikstofnormen voor uw gewassen.



Wijzigingen conditionaliteiten nu definitief



Wilt u GLB-subsidies ontvangen, zoals de basis- en ecopremie? Dan moet u aan bepaalde voorwaarden (conditionaliteiten) voldoen.

De minister heeft, na afstemming met ‘Brussel’, nog enkele extra aanpassingen doorgevoerd.


Definitieve wijzigingen vanaf 2025

Hieronder staat een korte opsomming van de wijzigingen.

·        Veengrond.

o  Omzettingsverbod blijvend grasland.

o  Maximale ploegdiepte op bouwland: 40 cm.

o  Op alle veengronden voldoen aan het peilbesluit

·        Bodembedekking.

o  80% van het bouwland op kleigrond moet tenminste 8 weken in de periode augustus t/m november bedekt zijn. Er geldt een uitzondering voor percelen met continuteelt op zware kleigrond in het Oldambt en de Hoeksche Waard.

·        De verplichting van 4% niet-productief areaal (NPA) is vervallen.

·        Blijvend grasland in Natura 2000-gebieden.

o  Ploegen voor herinzaai is toegestaan, mits er sprake is van ‘beschadigd grasland’ en dit is geregeld in het provinciale natuurbeheerplan.

·        Bufferstroken en gewasbeschermingsmiddelen

o  Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op bufferstroken is, onder voorwaarden, toegestaan bij de bestrijding van Knolcyprus, Wilde haver en invasieve soorten.

·        Sociale conditionaliteiten

o  Voldoet u niet aan de regelgeving van o.a. ‘arbeidsovereenkomsten’ en ‘veilige werkomgeving’? Dan kan dit, naast een sanctie, ook leiden tot een korting op GLB-subsidies.


Heeft u vragen over de voorwaarden voor GLB-subsidies? Neem dan contact met ons op.



Afroming rechten bij bedrijfsoverdracht



De afroming is vanaf 2025 ook van toepassing bij bedrijfsoverdrachten. Nieuw is dat nu ook sprake kan zijn van een bedrijfsoverdracht als het KVK-nummer niet wijzigt. Dat is het geval als de ‘landbouwer’ wijzigt.


Wanneer wijzigt de landbouwer?

In de onderstaande situaties wijzigt de landbouwer en kan er sprake zijn van afroming.

·        Overdracht van een bedrijf naar andere natuurlijke persoon of rechtspersoon.

·        Wijziging van rechtsvorm, bijvoorbeeld van eenmanszaak naar maatschap of BV.

·        Wijziging van de samenstelling van een samenwerkingsverband. Bijvoorbeeld het toe- of uitreden van maten of vennoten binnen een maatschap, vof of CV.

·        Wijziging van (in)directe overwegende zeggenschap in een rechtspersoon. Bijvoorbeeld een wijziging van bestuur en/of aandeelhouders van een BV. Of een wijziging binnen een ‘moederonderneming’.

·        Wijziging van (in)directe overwegende zeggenschap in een rechtspersoon die een onderdeel uitmaakt van een samenwerkingsverband. Bijvoorbeeld een 
wijziging binnen een BV, die deel uitmaakt van een maatschap.


Vaker bedrijfsoverdracht, niet altijd afroming

Is in uw situatie sprake van een bedrijfsoverdracht? Dan is er ook sprake van een overdracht van productierechten (indien aanwezig). En dan kan er sprake zijn van afroming. Echter vaak is dat ook niet zo.


Geen afroming

Bij veel bedrijfsoverdrachten vindt geen afroming van productierechten plaats. Dit is o.a. het geval als er sprake is van een overdracht:

·        Naar bloed- of aanverwanten t/m de derde graad.

·        Naar een echtgenoot of geregistreerd partner.

·        Naar een ander bedrijf waarvan de inbrenger ook deel van uitmaakt en zeggenschap heeft.


Bij een bedrijfsoverdracht van of naar een BV wordt ook naar de bloed- en aanverwantschap en echtgenoot/geregistreerd partner gekeken.


Heeft u te maken met een bepaalde (complexe) bedrijfsoverdracht? Laat u dan informeren over de ‘afromingsregels’.



Derogatie uiterlijk 28 februari aanvragen



Wil u dit jaar derogatie toepassen? Dan moet u uiterlijk 28 februari uw derogatievergunning aanvragen bij RVO. Derogatie is nodig voor de subsidie ‘Behoud grasland’.


Derogatienormen verder verlaagd

De derogatienormen (stikstofnormen) voor dierlijke mest zijn verder verlaagd:

·        190 kg stikstof per hectare in NV-gebieden.

·        200 kg stikstof per hectare in alle overige gebieden.



Aanvragen derogatievergunning en andere zaken

Dit jaar kunt u uw derogatievergunning aanvragen t/m 28 februari. Naast het aanvragen van derogatie moet u uiterlijk 28 februari:

·        Geldige grondmonsters voor derogatie hebben, waarbij de monsternamedatum ligt in de periode van 1 februari 2021 t/m 28 februari 2025.

·        Uw bemestingsplan gereed hebben.


Aanvraag subsidie ‘Behoud grasland’

Wilt u later dit jaar de subsidie ‘Behoud grasland’ aanvragen? Dan is het hebben van derogatie nagenoeg altijd een vereiste.




Provinciale subsidie productieve investeringen



In diverse provincies is nu een subsidieregeling op basis van een investeringslijst opengesteld. Voor een dergelijke subsidie is vaak veel belangstelling.


Subsidie voor diverse investeringen

Op basis van uitgebreide provinciale investeringslijsten kunnen (jonge) landbouwers subsidie aanvragen. De subsidie bedraagt:

·        40% voor landbouwers.

·        55% voor jonge landbouwers.



Provincies met openstelling

Op dit moment hebben de volgende provincies deze subsidie opengesteld: Flevoland (t/m 10 april), Noord-Holland (t/m 28 februari), Overijssel (t/m 14 maart), Utrecht (t/m 31 maart), Zeeland (t/m 28 februari) en Zuid-Holland (t/m 17 maart). De overige provincies hebben deze subsidie in 2024 al opengesteld. Mogelijk komt er dit jaar een nieuwe openstelling.


Heeft u interesse? Overleg dan met ons voor welke investeringen u in uw provincie subsidie kunt aanvragen en wat de exacte voorwaarden zijn.



Stikstof…



De afgelopen tijd zijn diverse ingrijpende uitspraken gedaan t.a.v. stikstof. De uitspraak in december over intern salderen en de recente uitspraak in de zaak van Greenpeace, waarbij de rechter stelt dat Nederland onvoldoende doet om de stikstofdoelen te halen. Het gevolg is dat zo ongeveer alles weer op ‘losse schroeven’ staat en het kabinet koortsachtig op zoek is naar mogelijke oplossingen.


Intern salderen

Bij intern salderen kunt u, bij een aanpassing of uitbreiding, gebruik maken van stikstofruimte die op uw bedrijf beschikbaar is. Stikstofruimte kan ontstaan door bijvoorbeeld een emissiearm systeem toe te passen. Voorheen had u geen natuurvergunning nodig als u, op basis van intern salderen, niet méér stikstofdepositie veroorzaakte. 


Nu wel vergunning

Met de uitspraak in december heeft de rechter bepaald dat ook voor ‘intern salderen’ een vergunning nodig is. Dit geldt zelfs met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020! Dit geldt ook voor bedrijven met een ‘positieve weigering’. Daarnaast is vergunningverlening op basis van intern salderen ingewikkelder geworden. Voor veel bedrijven heeft dit een enorme impact.


Bij wijziging of uitbreiding altijd natuurvergunning

Wijzigt u uw bedrijf? Of breidt u uit in dieraantallen? Dan heeft u ‘altijd’ een natuurvergunning nodig. Vervolgens kan, onder andere op basis van intern salderen, bepaald worden of u een vergunning kunt krijgen. Deze regel geldt nu dus ook als u in het verleden op deze manier bent uitgebreid!


Regels aangescherpt

Bij het aanvragen van een natuurvergunning op basis van intern salderen zijn de regels verder aangescherpt. Zo wordt uw latente ruimte, als u geen eerdere natuurvergunning heeft, in bepaalde situaties geschrapt. Dit geldt als u bijvoorbeeld een stal (met milieuvergunning) structureel niet meer in gebruik heeft. Daarnaast kan het voorkomen dat u uw stikstofruimte (deels) niet kunt inzetten voor intern salderen als uw provincie deze stikstof nodig heeft voor behoud en herstel van natuur. Dit moet de provincie beoordelen.


Beleidsregels provincies

Voor deze beoordeling zullen de provincies (eigen) beleidsregels voor intern salderen moeten opstellen. De grote vraag is nu echter wel wie het eerst aan zet is. De provincie of het kabinet?


Kort nieuws



Bemestingsplan ook voor bedrijven zonder derogatie

Voor derogatiebedrijven is het al langer verplicht om een bemestingsplan op te stellen. Vanaf 2023 geldt dit ook voor niet-derogatiebedrijven, dus ook voor u als tuinder of akkerbouwer. Heeft u geen derogatie? Dan moet u uiterlijk 14 maart uw bemestingsplan opstellen en in uw administratie bewaren.


Milieulijst voor Vamil en MIA

Onlangs is de ‘Milieulijst 2025’ gepubliceerd. Investeert u in bedrijfsmiddelen die op de ‘Milieulijst 2025’ staan? Dan kunt u fiscaal voordeel behalen middels Vamil en/of MIA. In de Milieulijst zijn ook ‘Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)-stallen’ opgenomen.


Lagere stikstofexcretie melkkoeien

De stikstofexcretie (uitscheiding stikstof) bij zowel drijfmest als vaste mest is verlaagd bij bijna alle melkproductieniveaus. Houdt u melkkoeien op drijfmest, dan is de verlaging meestal 2-5%. Alleen bij de laagste melkproductieklasse (< 5.625 kg melk) en een lager ureumgehalte stijgt de stikstofexcretie bij drijfmest. Heeft u een systeem met vaste mest, dan is de verlaging zelfs 17-22%.


Verlenging ‘vrijstelling bovengronds uitrijden’

De ‘Vrijstellingsregeling voor bovengronds aanwenden van rundveedrijfmest’ is verlengd t/m 2025. Er gelden diverse voorwaarden. Heeft u interesse? Meld u zich dan uiterlijk 28 februari bij RVO.

 



 

Agenda


Vanaf 16 februari

•     Uitrijden drijfmest op grasland

•     Uitrijden drijfmest op bouwland bij vroege teelt (vooraf ‘vroege teelt’ opnemen in ‘Mijn percelen’)

•     Bovengronds aanwenden rundveedrijfmest        (vooraf melden voor vrijstelling bij RVO)

Uiterlijk 28 februari

•      Aanvragen derogatievergunning

•      Opstellen bemestingsplan ‘derogatie’

•      Bemonstering grondmonsters voor derogatie

Uiterlijk 14 maart

•     Bemestingsplan niet-derogatiebedrijven

Vanaf 16 maart

Uitrijden drijfmest op bouwland bij ‘overige teelten’

21 november 2025
1. Maximale inhouding huisvesting op minimumloon blijft 25% Werkgevers mogen in 2025 voor de kosten van huisvesting van een werknemer maximaal 25% van het wettelijk minimumloon inhouden op dit minimumloon. Het plan was om dit percentage vanaf 2026 met 5% per jaar af te bouwen. Vanaf 2030 zou het dan verboden zijn om de kosten van huisvesting in te houden op het wettelijk minimumloon. Dit plan gaat vooralsnog niet door. Het is uiteraard niet uitgesloten dat een nieuw kabinet er alsnog voor kiest om de regeling af te bouwen. Dat zal dan in ieder geval niet per 1 januari 2026 zijn. 2. Moet u op pensioenadvies aan personeel loonheffing inhouden? Als een werknemer een door u als werkgever betaald pensioenadvies krijgt, is hierover dan wel of geen loonheffing verschuldigd? Vanaf de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioen (Wtp) zijn pensioenuitvoerders verplicht om werknemers te begeleiden bij het maken van een keuze binnen de pensioenregeling. Als het pensioenadvies zich beperkt tot keuzebegeleiding, is dit verplichte advies onbelast voor de loonheffingen. Als meer persoonlijke achtergrondinformatie bij het pensioenadvies wordt betrokken, is het pensioenadvies niet meer beperkt tot keuzebegeleiding. Er is dan sprake van persoonlijk pensioenadvies. De Belastingdienst heeft aangegeven dat de kosten van een persoonlijk pensioenadvies belast loon vormen voor de werknemer. De Wtp verplicht overigens niet tot een dergelijk uitgebreid advies. Tip: u kunt er als werkgever voor kiezen om het persoonlijk pensioenadvies aan te wijzen voor de werkkostenregeling. In dat geval wordt bij de werknemer geen loonheffing geheven als u nog vrije ruimte heeft. 3. Onbelaste vergoeding internetabonnement mogelijk Van een werknemer die ook thuiswerkt, kunt u de kosten van zijn volledige internetabonnement onbelast vergoeden. Voorwaarde is dat de werknemer het internet nodig heeft en ook gebruikt voor zijn werk. U hoeft geen rekening te houden met een eventueel privégebruik van uw werknemer. Overigens bent u niet verplicht om het volledige abonnement te vergoeden. U kunt ook een deel vergoeden. Let wel op bij abonnementen die ook tv en vaste telefoon bevatten. Alleen het internetdeel kunt u namelijk onder de gerichte vrijstelling onbelast vergoeden. 4. Aanvragen subsidie praktijkleren derde leerweg tot 28 november 2025 Erkende leerbedrijven kunnen vanaf 3 november 2025 9.00 tot vrijdag 28 november 2025 17.00 uur weer de subsidie praktijkleren aanvragen voor een praktijkplaats van een mbo-student in de derde leerweg (overig onderwijs (ovo) of overige opleidingen in deeltijd (odt)). De student moet ingeschreven staan in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) van DUO. Daarnaast gelden nog meer voorwaarden . Per praktijkplaats kan maximaal € 2.700 subsidie gekregen worden. Het beschikbare budget bedraagt in 2025 € 2.800.000. Bij overschrijding van het budget wordt de hoogte van de subsidie naar rato verlaagd. Aanvragen van de subsidie kan via RVO.nl . Het erkende leerbedrijf moet de subsidie wel aanvragen binnen een jaar na afloop van de praktijkleerplaats. 5. Aanvraag subsidie groepshulp kinderopvang tot 28 november 2025 Van 3 november 2025 9.00 uur tot en met 28 november 2025 17.00 kunt u via RVO.nl weer subsidie aanvragen voor groepshulpen (groepsondersteuners) in uw kinderopvang. De subsidie bedraagt maximaal € 10.056 per jaar per groepshulp. U kunt de subsidie voor maximaal tien groepshulpen aanvragen. Er gelden wel voorwaarden . Het beschikbare budget bedraagt in 2025 € 1.735.000. Bij overschrijding van het budget wordt de hoogte van de subsidie per groepshulp naar rato verlaagd. 6. Verbetering koopkracht deeltijd-minimumloners Deeltijdwerkers die op jaarbasis minder verdienen dan het minimumloon en een loonsverhoging hebben die lager is dan de algemene loonontwikkeling, hebben in 2025 te maken met negatieve inkomensgevolgen. Deze gevolgen worden, op verzoek van de Tweede Kamer, vanaf 2026 gecompenseerd. Zo krijgen de lage inkomens in 2026 meer recht op arbeidskorting, waardoor vooral deeltijdwerkers met een uurloon op of rond het minimumloon er iets op vooruitgaan. Ter budgettaire dekking gaan de verhogingen van de arbeidskorting van € 25 en € 27 niet door, wordt het tarief in de eerste schijf van de IB in 2026 0,05% minder verlaagd (en in de komende jaren in geleidelijke stapjes nog minder verlaagd (tot 0,09% minder in 2035)) en wordt het tarief van 49,5% in de IB verschuldigd vanaf een lager inkomen dan eerder in het Belastingplan 2026 was opgenomen.
21 november 2025
Het wettelijk minimumuurloon wordt per 1 januari 2026 verhoogd. Wat zijn de nieuwe geïndexeerde uurtarieven? Vanaf 21 jaar Door een indexatie van 2,15% zal het wettelijk minimumuurloon voor een werknemer vanaf 21 jaar vanaf 1 januari 2026 € 14,71 per uur bedragen. Nu bedraagt het wettelijk minimumuurloon voor een werknemer van 21 jaar en ouder nog € 14,40 per uur. Let op! De berekening van het indexatiepercentage is gebaseerd op het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, in de gepremieerde en gesubsidieerde sector en bij de overheid. Wettelijk minimumuurloon 15 tot en met 20 jaar Door de stijging van het wettelijk minimumuurloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, stijgt het wettelijk minimumuurloon voor jongere werknemers per 1 januari 2026 als volgt: Leeftijd Percentage Minimumuurloon 21 jaar en ouder 100,0% € 14,71 20 jaar 80,0% € 11,77 19 jaar 60,0% € 8,83 18 jaar 50,0% € 7,36 17 jaar 39,5% € 5,81 16 jaar 34,5% € 5,07 15 jaar 30,0% € 4,41 Let op: In de Voorjaarsnota 2025 was door het huidige kabinet afgesproken om het minimumjeugdloon voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar vanaf 2027 geleidelijk te verhogen. Het is nog niet bekend of het nieuwe kabinet deze plannen overneemt. Wettelijk minimumuurloon bbl Voor werknemers met een arbeidsovereenkomst in verband met een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) geldt voor werknemers in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar een ander percentage. Het wettelijk minimumuurloon voor deze werknemers is per 1 januari 2026 als volgt: Leeftijd Percentage Minimumuurloon 21 jaar en ouder 100,0% € 14,71 20 jaar 61,5% € 9,05 19 jaar 52,5% € 7,72 18 jaar 45,5% € 6,69 17 jaar 39,5% € 5,81 16 jaar 34,5% € 5,07 15 jaar 30,0% € 4,41 Let op: In juli 2025 maakte de minister van OC&W bekend dat hij de lagere percentages voor werknemers in de bbl met ingang van 1 januari 2027 wil afschaffen. Dit is nu een plan, dat verder nog niet concreet is.
21 november 2025
De belastingrente voor de inkomstenbelasting (IB) bedraagt in 2026 hoogstwaarschijnlijk 5%. Voor de vennootschapsbelasting (Vpb) zal dit waarschijnlijk 7,5% zijn. Beide percentages zijn 1,5% lager dan in 2025. Hoe wordt de nieuwe belastingrente vastgesteld? De belastingrente wordt één keer per jaar opnieuw vastgesteld. De nieuwe rente gaat dan per 1 januari gelden. In een besluit is vastgelegd hoe dit moet gebeuren. Daarbij geldt als basis de vóór 1 november van het voorafgaande jaar laatste gepubliceerde ECB-rente voor basisfinancieringstransacties. Voor de belastingrente voor het jaar 2026 gaat het hierbij om de op 11 juni 2025 gepubliceerde ECB-rente voor basisfinancieringstransacties. Die bedraagt 2,15%. Voor 1 november 2025 vond geen andere publicatie meer plaats. Let op: In het besluit is ook opgenomen dat de belastingrente altijd wordt vastgesteld op een afronding van halve procenten. Leidt de berekening tot een andere belastingrente, dan vindt dus afronding plaats. Verder wordt het belastingrentepercentage ten opzichte van het bestaande belastingrentepercentage maximaal 2% hoger of lager. Belastingrente IB 2026 Voor de IB wordt de hiervoor genoemde ECB-rente volgens het besluit verhoogd met 3%. Daarbij is ook opgenomen dat de minimale belastingrente altijd 4,5% is. Met deze rekenregels bedraagt de belastingrente voor de IB in 2026 5% (2,15% + 3% = 5,15%, afgerond op halve procenten is dat dus 5%). In 2025 bedraagt de belastingrente voor de IB nog 6,5%. Let op: Dit percentage geldt ook voor de meeste andere belastingen, onder meer de loonbelasting, omzetbelasting, dividendbelasting, erfbelasting et cetera. Belastingrente Vpb 2026 Voor de Vpb wordt de hiervoor genoemde ECB-rente volgens het besluit verhoogd met 5,5%. Daarbij is ook opgenomen dat de minimale belastingrente altijd 5,5% is. Met deze rekenregels bedraagt de belastingrente voor de Vpb in 2026 7,5% (2,15% + 5,5% = 7,65%, afgerond op halve procenten is dat dus 7,5%). In 2025 bedraagt de belastingrente voor de Vpb nog 9%. Let op: Dit percentage geldt ook voor de bronbelasting en de minimumbelasting. Nog geen officiële bekendmaking Het belastingrentepercentage voor 2026 is nog niet door de Belastingdienst bekendgemaakt. Gebaseerd op het besluit komen de percentages uit op 5 en 7,5%, maar daarvan is dus nog geen officiële bevestiging. Bezwaar belastingrente Over de hoogte van de belastingrente loopt een procedure bij de Hoge Raad. Bezwaren tegen de belastingrente zijn aangewezen als zogenaamde massaalbezwaarprocedure. Dit betekent dat degenen die bezwaar maken tegen de belastingrente pas een uitspraak van de Belastingdienst krijgen als de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Let op: Wilt u aansluiten bij deze massaalbezwaarprocedure, dan moet u op tijd een bezwaar indienen tegen de belastingrente. Neem voor meer informatie hierover contact op met onze adviseurs.